Zware laarzen trapten tegen de achterdeur, Wat nou weer, verzuchtte mijn moeder terwijl ze een lucifer afstreek om op de klok te kijken. Weer klonken harde slagen tegen de deur.Haastig kroop Matka onder de dekens vandaan. Mensch nogmamal, was ist los, was gibt,s den wieder, kreunde ze. Op de tast sloop ze naar de keuken. Plotseling waren we alle twee tegelijk wakker geschrokken van het onheilspellende lawaai. Stampende voeten in de steeg, gerammel aan de deurklink, geklop tegen het raam. Aufmachen! klonk het weer aan de keukendeur. Aufmachen, Polizei! Een raspende stem beethet angstaanjagende woord door de kieren waardoor ook steeds de tocht naar binnen drong. Matka en ik bevroren op slag.

Polizei of Politie betekende norskijkende mannen, die je met toegeknepen ogen strak aankeken, plotseling stonden ze in de slaapkamer aan het voeteneind, ze trokken ruw de dekens van je af, snauwende stemmen vanuit het duister, felle lichtstralen die in je gezicht schenen, bitsende bevelen. Kom d,r uit! Aankleden! Daar in de hoek gaan staan! Bek dicht! Vreemde kerels die botte vragen aan mijn moeder stelden, de laden en de kastdeuen opentrokken en de inhoud op de mat schoven, die onder de matrassen, het bed, het vloerkleed keken, die je met snerpende stem bevalen kleren bijeen te rapen, je met harde hand bij de schouders pakten en het donker induwden, je hardvochtig opjoegen als de veedrijvers op het station de ezels, de koeien, de paarden voor de slacht.

Matka had de olielamp aangestoken in de keuken. De lamp met de kostbare vloeistof, die alleen op zatedagavond brandde, en dan voor korte tijd, op de avond wanneer het nietige vlammetje van de carbidlamp gedoofd bleef. De flakkerende pit, doorweekt van de petroleum, zette de keuken in een helle gloed. ik knep mijn ogen toe voor het plotselinge licht. Er werd weer hard tegen de deur geslagen en gebonkt. Duitse stemmen bevalen ons op dreigende toon open te doen. Vloekend hamerden vuist en geweerkolf tegen de planken. De buren zouden het horen, zich omdraaien, blij dat het niet hun deur was waartegen geklopt werd. Matka en ik keken elkaar angstig aan. Met vertrokken gezicht van inspanning, met al haar krachten, haar voeten steunzoekend op de grond, de magere schouders tegen de deur geplant, hield Matka stand. Haar ogen gericht naar de hemel voor hulp. Was wollen sie den ? riep ze schuin over haar schouder, vertwijfeling in haar stem, Schnaps wilden de Duitse stemmen buiten, Fressen und trinken. Hier gibt nichts, riep Matka hard terug en trok, schouderophalend, een grimas naar mij.

Weer sloegen ze tegen de deur. Bij elke klap tegen het hout, aan de andere kant, schokte het hoofd van Matka even van het hout af. Blaffende stemmen waarschuwden voor de laatste maal. Krakend brak de deur uit het slot en vloog wijd open. Struikelend viel Matka voorover op de vloer. Plotseling was onze keuken gevuld met soldatenuniformen. Met de soldaten drong koude nevel binnen. 

Untertaucher ? Und wo ist Vati den ? vroeg de aanvoerder van de soldatendie uit de donkere nacht ons huis waren binnengedrongen.Hard stampte hij met zijn gelaarsde voet op de planken vloer.

Vater tot! antwoordde Matka, vouwde haar beide handen samen, sloot even beide ogen en vlijde haar hoofd tegen beide handen aan. Haar blik volgde de overige soldaten, die in de keuken en de slaapkamer kasten en laden opentrokken en doorwoelden, kwaad dichtsloegen. Ach was, gromde de man en hief dreigend zijn hand omhoog alsof hij mijn moeder een klap wilde geven. Immer dasselbe, und uberal, alles Tot! iehr verdampte Hollander.

Afgedwaalde soldaten op weg naar de grens, aan het organiseren in het duister van de spertijd. Schutze onder leiding van een feldwebel. Met ongeschoren en ongewassen gezichten, nat van de mist, diepe wallen onder de ogen. Jonge kerels die er oud en vermoeid uitzagen. Ze droegen stinkende uniformen, kapotte uitrustingsstukken, gescheurde camouflagejacks en getornde tunieken door modder en drek bevuild, opgedroogde bloedvlekken, slecht dichtgenaaide kogelgaten in de stof, gedeukte helmen, kapotte broekspijpen, kapotte laarzen. Ze roken alsof ze bij de varkens of in het hol van de bunzing hadden gelegen. Ze waren op zoek naar etenswaren, schreeuwden om brood en schnaps. Met luide, opgewonden stemmen dreigden ze het hele huis in elkaar te slaan als er geen eten en drank op tafel kwam.

Wir haben nichts! Jammerde mijn moeder. Nichts, nichts zu essen. Ze viel huilend op haar knieen toen een van de soldaten de loop van zijn pistool tegen haar slaap zette. Van schrik sloeg mijn hart over. Ik slikte de angst weg als en te groot stuk brood. Had ik mijn scherpe lepel maar in de hand. ik zou op de soldaat afvliegen als hij de trekker overhaalde. Mijn Matka mocht niet doodgeschoten worden. Ook de soldaat met de Smeiser op zijn borst gromde woedend, zette met zijn duim de rustpal om op het machinepistool en keek vragend naar de Feldwebel. Die snauwde een bevel en de soldaat met het pistool stak grijnzend zijn wapen weg. Snikkend kwam mijn moeder overeind.

Bitte, Herr Offizier! riep Matka en stak smekend haar magere polsen naar hem uit. Wir haben selber nichts, nichts zu essen. Mein kind hat Hunger, grosse hunger, iech habe hunger, grose Hunger, Und kein Essen, gar kein Essen! Ze rolde haar mouwen op en liet het verband om de gapende wonden op haar dunne armen zien. Wonden die niet meer heelden, hoeveel zalf je er ook opsmeerde, kostbare zalf uit het ziekenhuis die niet hielp, niet meer te krijgen was. Dat kregen de vrouwen die erge honger leden, dikke opgezette benen, benen, armen, gezichten zwollen op. Vet varken joelden de jongens naar de vrouwen met kolosale lijven die moeizaam, soms met behulp van stokken of krukken, voortschoven, monsterachtige dikke lichamen van roze vlees. Vet varken! en grote gaten in hun lijf Wonden die plotseling in het vlees vielen, die begonnen te zweren en te etteren, niet meer dichtgingen.

Kom! beval de Feldwebel en knipte met zijn vingers. De soldaten verdwenen. Verzeihung grommend,