Welcom Bezoekers. sters. Hier de geschiedenis van mijn stad waarin ik leef. hieronder de geschiedenis van Jan Cremer S.R. die in Enschede woonde werkte en werd vermoord door de NSB.

DE GESCHIEDENIS VAN ENSCHEDE VAN 1937 TOT HEDEN IN WOORD EN BEELD.

Enschede stond bekend als de grootste industriestad in het oosten en de lelijkste stad van Nederland. Een gore roetige fabrieksstad in Twente. Een schilderachtige en wilde landstreek aan de Duitse grens, een achtergebleven gebied, met ruwe gewoontes, dat Hollands Turkije werd genoemd. Het lage land, de vallei tussen de Overijselse Heuvelrug en het Teutoburger Wald, gescheiden door de grens. Een van de armste gedeelten van Nederland, Enschede, een stad met een immer grijze hemel, waar het vaak regende en mistte en een doordringende vettige nevel in de straten hing. Of de bittere rook van de in brand gestoken veengebieden rondom die, slechts voor even, de stank van de fabrieken verdreef. Allleen de mist kon de grauwheid van deze troosteloze plaats verhullen.

Van heinde en ver in de streek zag men de zwarte silhoueten  van de vele tientallen fabrieksschoorstenen waarvan de walm nimmer doofde. De hoge schoorstenen die als bakens van de arbeid boven de naargeestige gebouwen, huurkazernes, fabrieksscholen en sombere arbeiderswijken uitstaken. 

De textielfabrieken die altijd in bedrijf waren en de stenen van de stad met roet blakerden. De parel van het nijvere Twente. Een parel met roet en bloed besmeurd. Waar een kleine kliek textielbaronnen, boeren van aard en afstamming, sinds mensenheugenis de boeren en burgerbevolking onderwierp. Een bevolking die daardoor onderdanig, wantrouwend, nors en zwijgzaam werd geboren. Een bevolking die was grootgebracht met eerbied voor de hoge heren en waar geheugen reeds in de kinderjaren werd afgeschaft.

Enschede was een rode fabrieksstad, een bolwerk van socialisme, communisme en anarchisme, waar bittere armoede heerste. Een stad waarvan zelfs de ruines, achtergebleven van vele branden en oorlogen, geplunderd werden door de heren fabrikanten. Waar de arbeiders stille wrok koesterden tegen het misdadige beleid van de arbeidgevers en in gedempte onvrede leefden met het ondeugdelijke stelsel. Nergens in het land was het klassenverschil tussen werkvolk en industrielen zo groot. Hoewel de slavernij ook daar was afgeschaft hadden de arbeiders net zoveel rechten als de vroegere lijfeigenen, hun voorouders. Enschede was een moderne slavenkolonie waar elke opstand tegen de legale slavenhouders in de kiem werd gesmoord. Elke staking werd gebroken. Als om een vesting lagen overal rond de stad detachementen Rijksveldwacht en Koninklijke Marechaussee gelegerd, die bij de eerste onrust in de arbeidersscharen de textielstad bestormden en met klewang en blanke sabel orde en rust herstelden. De eerste staking in Nederland vond in Enschede plaats.

Enschede was ook een grensstad met de misdaad van de grens. Uniformen hoorden er bij het stadsbeeld. Daar heerste de grenspolitie, daar waren de smokkelaars en de kommiezen, de zakenlieden en oplichters, deserteurs en militaire politie, handelaars in vrouwen en vee, politieke vluchtelingen en dienstplichtontduikers, militaire inlichtingendiensten en spionnen. Hier verborg zich het legioen van kleine en grote misdadigers dat over de streep was gevlucht. Hier werden in ongure cafes duistere zaken gedaan en in de gerenomeerde bankinstellingen clandestiene handeltjes afgesloten. Werd het valse geld verhandeld, dat in pakken de grens overkwam, zoals in elke grensstad waar altijd valsemunters aan het werk zijn. Vals geld hoort bij de grens zoals valse paspoorten en pornografie. Daar kan het twee kanten op. Katoen en smokkel heersten over Enschede.

Enschede was een lege stad. Als vroeg in de koude schemer het werkvolk door de sirenes en stoomfluiten, die slechts zwegen op zondag, naar de fabriek werd geroepen, bewoog een zwijgende massa zich door de straten. Tienduizenden arbeiders met bleke gezichten, mannen en vrouwen, jong en oud, op fietsen of klompen. Klompen waarvan het hout over de naakte keien kletterde. Het klompenbataljon dat de straten leeg achterliet. Overdag was iedereen aan het werk, waren de straten verlaten. Alleen de vieze stank van de fabrieken was altijd aanwezig. Voor de arbeiders met hun karige loon was er , s avonds weinig betaalbaar vertier. Het volk moest vroeg slapen, om zich de volgende morgen bij de grauwe colonne naar de fabriek aan te sluiten. Enschede was in het donker een dode stad. Slechts in de cafes en bodega,s rond de Markt, verborgen in het duister, waar zich het rosse leven van de stad afspeelde en zich het schuim, dat naar de grensstad was gelokt, verzamelde, was nog leven. In Enschede was het bier zuipen en vechten. Nachtelijke vechtpartijen in de straten, dronkenschap en ruzies. Na tien uur was de fabrieksstad uitgestorven en leek een desolate plaats in de provincie. Een gat zonder leven en geest.

In Enschede heerste een enorm Klassenverschil.Niet alleen tussen rijk en arm, maar ook tussen rijk en minder rijk, arm en minder arm, tussen de vechillende religies en de maatschappelijke rangen en standen. Op het Marktplein waren verscheidene cafes, waar steeds meer obers zich tooiden met Hitler lok en Hitler snor. Een cafe voor de protestantse notabelen, een cafe voor de Katholieke notabelen. Voor de Katholieken tegenover de Jacobus Kerk. Tegenover de Grote Kerk voor de protestanten. Waar na de Kerkdienst de gelovigen bijeenkwamen. De mannen in lakense zwarte pakken, de vrouwen in rouwkleding en zwarte kousen.

Een cafe voor boeren met land. Een cafe voor de boeren zonder land. Een cafe voor christelijke arbeiders en werkbazen. En vlak bij Het Saksische Ros, in dezelfde rij, Concordia: het bolwerk van de Katholieke arbeiderspartij. Waar de met gouddraad en glitter bewerkte vaandels hingen van de R.K. Muziekkorpsen. De kasten aan de wanden en boven het schap gevuld met bekers en medailles. Waar de Katholieke arbeiders in hun toneelzaal voornamelijk naar demonstraties van moderne textielmachines keken of naar bokswedstrijden. Niet Katholieke arbeiders kregen die cultuur voorgeschoteld in de SDAP vesting, Ons Huis, waar de sociaal democraten , de Sozi,s elkaar op de bek sloegen. Eens per jaar werd er in beide zalen een modeshow gegeven voor de fabrieksarbeidsters en arbeidersvrouwen. De nieuwste modellen werkoveralls en schorten.

Voor de gegoede burgers, de middenstandes, was er naast het postkantoor, boven Hotel de Graaf, de Burger sociteit. De allerrijksten van de stad, de bevoorrechten, zaten veilig in hun eigen Grote Sociteit, het Mekka van de textielfabrikanten en hun aanhang. Een tempel van geforceerde deftigheid, waar de champgne rijkelijk vloeide.

De allerarmsten zaten in de volkskoffiehuizen en volkslogementen voor geheelonthouders opgericht door diezlfde almachtige textielfabrikanten, waar ze bij hun goedkope koffie de grootsheid van hun weldoeners kregen ingestampt. In achteraf straatjes waren enkele ijssalons en cafetarias gevestigd. In de donkere zijstraten en smalle stegen op de Markt uitkomend en de vroegere stadswal rond het plein, waren de kroegen waar vooral op marktdagen veeboeren en palingvissers van hun geld werden verlost door goedkope hoeren en animeermeiden. Daar werd iedereen bediend. Niet in de Cafes op de Markt.

Wie niet thuishoorde in een bepaald cafe vanwege zijn geloof of rang werd gewoon niet opgemerkt. Verdacht men de bezoeker ervan een ander geloof te belijden, dan werd deze resoluut de deur gewezen. Ook vreemdelingen waren nergens welkom. Handelsreizigers of buitenlanders op doorreis die een behulpzame ober troffen werden doorgestuurd naar Het Saksische Ros. Maar ook de NSB die op zondagmorgen over de Markt marcheerde. luid zingend en bij voorkeur tijdens de kerkdiensten was niet welcom in de cafes rond de Kerken. Zodat Het Saksische Ros. langzamerhand een verzamelplaats was geworden voor de NSB en na de zondagse mars ook van de Nationale Jeugdstorm.

En joden was er op het bordje, Verboden voor honden bijgeschilderd, toen de Duitse joden, de oostjoden en de pollakken uit de stad verdwenen.Cremer liet zich niet verjagen uit zijn stamcafe. Trof hij Volk en Vaderland aan op de leestafel, dan scheurde hij de krant keurig in repen. Was de fuhrer aan het woord op de radio, dan draaide hij demonstratief de knop om.

Met,n spottende grijnslach wachtte Cremer af hoe de NSB,ers met verbeten en rode gezichten reageerden. Wie luidruchtig bezwaar maakte kon meteen een knal voor z,n kop krijgen. Zijn brede postuur boezemde ontzag in, maar nog meer was men bevreesd voor zijn befaamde vuisten. Een halve eeuw zware lichamelijke arbeid ijzer tot staal dwingend, mokers en smidshamers torsend, alsmede fietstochten van duizenden kilometers, hadden hem de kracht van een beer bezorgd. Ondanks zijn leeftijd had hij nog steeds de conditie van een beroepsworstelaar.Een rauwe aardappel kon hij met een hand tot pulp knijpen.

Twee al te opdringerige colporteurs van Volk en Vaderland had hij onlangs van zich afgeschud. Dat ging als een lopend vuur door de stad. Cremer was weer bezig geweest. De twee zwarthemden, onozele boerenknechten, domme krachten uit de provincie, wisten kennelijk niet wie ze voor zich hadden, toen ze de oude man uitdaagden en met hem op de vuist wilden. die had het gewaagd om luid en duidelijk Mussert, de geerde Leider van de beweging die het jaar daarvoor een druk bezochte lezing in hetzelfde achterzaaltje had gehouden, met vette varkenskop te bestempelen. De twee zwarthemden beseften wel dat het de verkeerde was, toen ze enkele seconden later met dichtgeslagen ogen, losse tanden en krimpend van de pijn, op de keien voor het Saksische Ros lagen.

Cremer stak ook niet onder stoelen of banken dat hij in het algemeen een diepe minachting koesterde voor de betere stand, de textielbaronnen en de adel. In een stad die juist door hen geregeerd werd, klonk dat als heiligschennis. Cremer werd vaak, op vriendschappelijke toon waarin bezorgdheid doorklonk, of met verbeten stemmen vol dreiging, gewaarschuwd. Maar voor de machtigste en rijkste mensen wa hij niet bang. Toch bezat hij verschillende goede vrienden met blauw bloed. Wederzijdse en langdurige vriendschappen, meestal beklonken op verafgelegen posten van het Nederlandse Corps Diplomatique. Hij maakte er ook geen geheim van dat hij in vroeger dagen een affaire had gehad met die Mieschen, de freule op het Kasteel Twickel. Het kasteel waar onder zijn toezicht de electriciteitsleidingen waren aangelegd. Ondanks dat alles had hij geen hoge dunk van de adelijke stand. Daarom verkondigde hij luid en triomfantelijk zijn theorie dat adel voornamelijk bestond uit door inteelt gekweekte debielen gezien de opvallend veel dubbele namen en de terugwijkende kinnen, hangende onderlippen en eeuwige kwijl in de mondhoeken, die zich bij de NSB hadden aangesloten.

wordt vervolgd